WILLEMSTAD — De uitwisseling van politie- en justitiegegevens tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland stuit op een fundamenteel obstakel: de vier landen bieden niet hetzelfde wettelijke beschermingsniveau voor persoonsgegevens. Daardoor kan de uitwisseling van essentiële informatie voor de bestrijding van georganiseerde en grensoverschrijdende criminaliteit worden beperkt.
Tijdens het IPKO-overleg op Aruba in februari spraken de parlementaire delegaties af dat ieder land onderzoekt of zijn wetgeving voldoende bescherming biedt voor een veilige gegevensuitwisseling. Uit een in juni besproken inventarisatie bleek dat alle vier de landen privacywetgeving hebben, maar dat de wettelijke kaders sterk verschillen.
Het probleem is vooral relevant voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, omdat voor persoonsgegevens uit Europees Nederland strikte voorwaarden gelden. Nederlandse privacyautoriteiten hebben eerder betwijfeld of de Caribische landen voldoende gelijkwaardige bescherming en effectief onafhankelijk toezicht bieden.
Tijdens het Justitieel Vierlandenoverleg op Curaçao in september erkenden de ministers van Justitie dat de uitwisseling van politie- en justitiegegevens moet worden verbeterd. Over de noodzakelijke juridische aanpak bestaat echter nog geen overeenstemming.
Nederland ziet een consensusrijkswet als mogelijke oplossing voor een gezamenlijk juridisch kader. De Caribische landen hebben daartegen bezwaren geuit. Curaçao trok zich in 2024 terug uit gesprekken over harmonisatie, omdat privacybescherming volgens de regering niet uitsluitend onder Justitie valt.
Zonder vergelijkbare juridische waarborgen kunnen gevoelige gegevens over strafrechtelijke onderzoeken, verdachten en veroordeelden niet automatisch worden gedeeld omdat de landen tot hetzelfde Koninkrijk behoren.
Parlementariërs uit de vier landen vragen de Nederlandse regering nu om een duidelijk tijdschema voor wetgeving en maatregelen die moeten voorkomen dat belangrijke veiligheids- of persoonsgegevens tijdelijk ontoegankelijk worden.
De centrale vraag is hoe vier autonome landen met verschillende rechtsstelsels gevoelige informatie kunnen uitwisselen en tegelijkertijd een vergelijkbaar niveau van privacybescherming kunnen garanderen.