Rechter Van der Poel: alle opties afwegen voor beslissing over constitutioneel Hof

Rechter Van der Poel: alle opties afwegen voor beslissing over constitutioneel Hof

Posted on 8/23/2014, 1:00 PM AST | Updated on 8/23/2014, 1:01 PM AST

ORANJESTAD - Het Hof is ten volle bereid om aan de gedachtewisseling over de instelling van een Constitutioneel Hof deel te nemen. Dit zei de president van het gerechtshof, mr. Evert van der Poel, vrijdagmiddag ter gelegenheid van de installatie van mr. Karin Engelbrecht als rechter. De wens om te komen tot een constitutionele toetsing en noodzaak  tot oprichting van een instituut dat geschillen in het Koninkrijk moet gaan beslechten is tijdens het Interparlementair Koninkrijksoverleg (Ipko) aangegeven.

“Als rechter begrijp ik die wens heel goed. Er wordt een leemte gevoeld doordat er in geschillen tussen de landen over rechtsvragen die betrekking hebben op het Statuut en andere Koninkrijkswetgeving geen gezaghebbend oordeel door een onafhankelijke autoriteit wordt gegeven,” aldus Van der Poel, die aangaf dat door die leemte er ook geen einde komt aan de discussie over de legaliteit en legitimiteit van de ingenomen standpunten. Een rechterlijke beslissing, arbitrale uitspraak of bindend advies kan daarin voorzien. Maar de vraag is volgens Van der Poel: van wie?

Zoals bekend is er in Sint Maarten een Constitutioneel Hof waarvan een lid op voordracht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is benoemd. De bevoegdheid van dit Constitutioneel Hof is beperkt tot een toetsing van de verenigbaarheid van nog niet in werking getreden wetgeving met de Staatsregeling van Sint Maarten. Er wordt thans gewerkt aan een uitbreiding van die bevoegdheid met een adviesbevoegdheid van dit Hof om te oordelen over rechtsnormen van constitutionele aard in een veel breder landelijk verband.

In Curaçao wordt de noodzaak van een toetsing van beslissingen op grond van het Statuut en andere Koninkrijksregelgeving al een tijd gevoeld, waarbij de oprichting van een Constitutioneel Hof of afzonderlijk instituut als mogelijkheid wordt genoemd.

“In Aruba bestaat al geruime tijd de wens om geschillen tussen de landen in het Koninkrijk over de toepassing van bepalingen van het Statuut door een onafhankelijke instantie te laten beslissen,” aldus Van der Poel. Bij de onderhandelingen over de nieuwe staatkundige structuur is ook op aangeven van Aruba vastgelegd dat er een geschillenregeling zou moeten komen.

Het gaat dus in de discussie in Aruba, Curaçao en Sint Maarten over beslissingen over constitutionele geschillen in het land en tussen de landen.

Afgelopen jaren worden afwisselend de Raad van State, de Hoge Raad der Nederlanden, een op te richten Constitutioneel Hof of afzonderlijke instituten als beslissende instanties genoemd. Van der Poel: “Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie volgt deze discussie op de voet en vraagt zich af wat zijn positie in dit krachtenveld is. Indien het gaat om de Raad van State en de Hoge Raad der Nederlanden dan kan het Hof dat volgen, maar als er wordt gesproken over de oprichting van afzonderlijke instituten onder de benaming Constitutioneel Hof of anderszins dan rijst de vraag of het niet beter is om een kamer voor de berechting van dergelijke geschillen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie onder te brengen. Dit Hof is immers zowel Caribisch als gemeenschappelijk van alle landen. Bij dit Hof zijn ook staatsraden en raadsheren betrokken, zodat er op het hoogste niveau recht kan worden gesproken of bindend advies kan worden uitgebracht.” Indien gewenst kan van uitspraken van dit Hof cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden worden ingesteld of er kan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden open gesteld. Bij spoed kan er ook snel bij dit Hof worden geprocedeerd en een uitspraak worden gedaan, al dan niet bij voorlopige voorziening.

Met deze wetenschap rijst volgens Van der Poel de vraag of versnippering van rechtspraak door nieuwe instituten op te richten wel de gewenste oplossingen oplevert of wellicht juist tegenstrijdige rechtspraak en onduidelijkheid in de hand werkt: “Dit nog afgezien van de vraag wie in die nieuwe instituten moeten worden benoemd.’ “Ik pleit er daarom voor om eerst na te gaan of er een speciale kamer bij de Hoge Raad der Nederland, bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie kan worden gevormd, welke kamer dan de door de landen gewenste beslissingen of (bindende) adviezen in constitutionele geschillen kan geven. Pas als dat om overtuigende redenen niet mogelijk blijkt te zijn zou de oprichting van een nieuw instituut of instituten aan de orde moeten komen,’ besloot de president van het Hog zijn betoog.