ORANJESTAD – Dat Gouverneur Refunjol blij was met de nieuwe uitvoering van het Arubaanse volkslied ‘Aruba Dushi Tera’, was woensdag bij de première overduidelijk. ‘Ik voel me ontzettend vereerd,’ sprak hij in Fort Zoutman, na het aanhoren van de productie, waaraan 40 Arubaanse zangtalenten hebben meegedaan, begeleid door een symfonieorkest uit New York. De productie die woensdagavond voor het eerst in Aruba werd uitgevoerd, is bedoeld als een kado voor de Gouverneur, die in mei zal aftreden.
MUZIEKFANAAT
Refunjol staat bekend als een geanimeerd anekdoteverteller en hij maakte het publiek deelgenoot van het feit dat hij zelf geen musicus is: ‘Ik zeg altijd maar zo: er zijn mensen die muziek moeten maken zodat anderen kunnen dansen (tin hende cu mester toca pa e otronan balia). Ik behoor tot de tweede groep.’ Refunjol maakte er evenmin een geheim van dat zijn muzikale smaak niet altijd overeenkomt met die van zijn gezin. De première kende vele emotionele momenten, niet in de laatste plaats door de eenheid die de musici uitstraalden met hun gezamenlijk product en optreden.‘Vanavond ervaar ik wat ons land groot maakt,’ zei Refunjol daar over en hij vertelde dat hij vaak door collega’s wordt gevraagd hoe het komt dat een klein land als Aruba het op vele fronten zo goed doet. ‘De geest (spiritu) die ik vanavond voel is wat ons groot maakt als land. Als Arubaan. Dat we trots kunnen zijn.’ Dat gevoel herinnerde de Gouverneur zich uit de tijd dat hij aan sport deed en wat hij ervoer, iedere keer als het volkslied werd gespeeld: ‘Geloof me, dan gingen je haren overeind staan en werd je heel emotioneel.’ Refunjol riep de aanwezigen op om in dezelfde geest alle uitdagingen aan te gaan, gezamenlijk en krachtig: ‘want wij kunnen het.’
JONGEREN MOETEN HET OVERNEMEN
De Gouverneur was blij dat er zoveel jongeren op het podium stonden woensdag. Het is volgens hem ontzettend belangrijk dat zij de fakkel overnemen en dat zij zich, net als de aanwezigen in Fort Zoutman woensdag, beseffen wat het betekent om Arubaan te zijn en er trots op zijn. Daarvoor is het ook nodig dat wij in onze jongeren geloven, aldus Refunjol.